boomloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boom·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van boom met het achtervoegsel -loos
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen boomloos boomlozer boomloost
verbogen boomloze boomlozere boomlooste
partitief boomloos boomlozers -

Bijvoeglijk naamwoord

boomloos

  1. zonder bomen
    • Na de kap van alle bomen ontstond een boomloze vlakte. 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.