bondage

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bon·dage
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘sadomasochistische omgang met vastgebonden partner’ voor het eerst aangetroffen in 1970 [1]
  • afgeleid van het Engelse bondage met het achtervoegsel -age [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord bondage bondages
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bondage v

  1. (seksualiteit) (sadomasochistische) seks waarbij de partner wordt vastgebonden of op vergelijkbare wijze in zijn of haar bewegingsvrijheid beperkt wordt

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen