bomber

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bom·ber
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bomber bombers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bomber m

  1. (militair) vliegtuig dat bommen kan afwerpen
     De BBMF Lancaster maakt op 4 mei een herdenkingsvlucht over achttien crashlocaties in Nederland en België, als eerbetoon aan de meer dan 55.000 mannen van de RAF Bomber Command die tijdens de Tweede Wereldoorlog de uiterste prijs betaalden.[2]
  2. bijnaam van sporter die veel doelpunten maakt
     De Pool maakte dit seizoen 35 doelpunten. De nummer 2 van de topscorerslijst, Patrik Schick van Bayer Leverkusen, eindigde op 24 goals. Vorig seizoen maakte Lewandowski maar liefst 41 doelpunten, waarmee hij het record van Müller uit het seizoen 1971-1972 verbeterde. ‘Der Bomber’, die in augustus vorig jaar overleed, maakte dat seizoen 40 goals.[3]
  3. verkorting van bomberjack een gevoerde lerenjas die door bemanningsleden van een bommenwerper gedragen werden
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. bomber op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 13 oktober 2022 Weblink bron Joost Dijkgraaf “Unieke Lancaster-bommenwerper vliegt woensdag boven Twente” (2 mei 2022), Tubantia
  3. Bronlink geraadpleegd op 13 oktober 2022 Weblink bron “Robert Lewandowski wil weg bij Bayern na evenaring record Gerd Müller: ‘Moeten oplossing vinden’” (14-05-2022,), Tubantia