blanketsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blan·ket·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord blanketsel blanketsels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

blanketsel o

  1. (cosmetica) poederf die men op de huid aanbrengt om die witter te doen lijken
     Hiëronymus kan uitvaren tegen luxe, het zich opmaken van vrouwen, dat wil zeggen „het gezicht mooi maken met rouge, de gelaatstrekken doen uitkomen met blanketsel, het haar opmaken en met behulp van haarstukjes een torenhoge wrong opbouwen, om maar te zwijgen van kostbare oorhangers, matwitte parels waarin de diepten van de Rode Zee glanzen.”[1]
     Hij deed die aansporing in een tijd waarin vrouwen en mannen dikke lagen blanketsel en rouge op hun gezicht smeerden, hun ogen zwart omrandden en hun lippen karmijnrood verfden.[2]
  2. (figuurlijk) iets waarmee je een gebrek kun verbergen

Gangbaarheid

34 % van de Nederlanders;
40 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Klaas van der Zwaag op Wikipedia “Orakel van de Latijnse christenheid” (04-02-2009), Reformatorisch Dagblad
  2. Bronlink Weblink bron Ellen van de Beek “Schoon, schoner, schoonheid” (13-02-2009), Reformatorisch Dagblad
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be