biologica

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bio·lo·gi·ca
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord biologica biologica's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

biologica v

  1. de logica van het biologische leven

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
62 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be