bijwoordelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·woor·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bijwoordelijk bijwoordelijker bijwoordelijkst
verbogen bijwoordelijke bijwoordelijkere bijwoordelijkste
partitief bijwoordelijks bijwoordelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

bijwoordelijk

  1. (taalkunde) als bijwoord fungerend
    • Ontleed enkel de zinnen met een bijwoordelijke bepaling. 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.