bijwoordelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·woor·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bijwoordelijk bijwoordelijker bijwoordelijkst
verbogen bijwoordelijke bijwoordelijkere bijwoordelijkste
partitief bijwoordelijks bijwoordelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

bijwoordelijk

  1. (taalkunde) als bijwoord fungerend
    • Ontleed enkel de zinnen met een bijwoordelijke bepaling. 

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be