bigamisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bi·ga·misch
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bigamisch bigamischer
verbogen bigamische bigamischere
partitief bigamisch bigamischers -

Bijvoeglijk naamwoord

bigamisch

  1. met twee partners tegelijkertijd getrouwd zijnde
Verwante begrippen

Gangbaarheid

56 % van de Nederlanders;
66 % van de Vlamingen.