betrouwen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·trou·wen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
betrouwen
betrouwde
betrouwd
zwak -d volledig

Werkwoord

betrouwen

  1. vertrouwen op
  2. overgankelijk vertrouwen

Gangbaarheid

65 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.