besproeien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·sproei·en
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
besproeien
besproeide
besproeid
zwak -d volledig

Werkwoord

besproeien

  1. overgankelijk natmaken met fijne druppels
    • Hij besproeit de bloemetjes momenteel. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.