berucht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·rucht
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen berucht beruchter beruchtst
verbogen beruchte beruchtere beruchtste
partitief beruchts beruchters -

Bijvoeglijk naamwoord

berucht

  1. om slechte redenen bekend staand, gevreesd
    • Mijn buurman is berucht in het hele dorp. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.