belust

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·lust
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen belust beluster (belustst) *
verbogen beluste belustere (belustste) *
partitief belusts belusters -

Bijvoeglijk naamwoord

belust

  1. belust op: verlangend en zoekend naar het genoemde
    • Een op macht beluste generaal plande de machtsgreep. 
    • Het publiek is op sensatie belust. 
Opmerkingen
  • Omdat "-stst" moeilijk is uit te spreken en te verstaan kan voor de overtreffende trap beter de omschrijving "meest belust(e)" worden gebruikt.[3][4]

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen