bejubelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ju·be·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bejubelen
bejubelde
bejubeld
zwak -d volledig

Werkwoord

bejubelen

  1. overgankelijk iets of iemand uitgebreid prijzen
    • Eers werd hij bejubeld, daarna werd hij verguisd. 
Antoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.