beitsen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • beit·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beitsen
beitste
gebeitst
zwak -t volledig

Werkwoord

beitsen [2]

  1. (overgankelijk) met beits behandelen

Zelfstandig naamwoord

beitsen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord beits

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal