behoeden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·hoe·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
behoeden
behoedde
behoed
zwak -d volledig

Werkwoord

behoeden

  1. overgankelijk iemand ~ voor voor een gevaar beschermen
    • Dat behoedde de economie voor een ineenstorting. 
    • God zal je behoeden, wenste de vader zijn dochter toe toen ze op kamers ging wonen. 
  2. wederkerend zich ~ voor zorgen dat men een fout vermijdt
    • Hij behoedde zich ervoor daarover al te veel te zeggen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.