bebop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

bebop muzikanten 1947
Uitspraak
Woordafbreking
  • be·bop
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘bepaalde stijl van jazz en dans’ voor het eerst aangetroffen in 1954 [1]
  • uit het Engels [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord bebop
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bebop m [3]

  1. (muziek) een muziekstijl ontstaan in de jaren 1940 in de jazz die complexe ritmes en harmonieën bevat die vaak een dominante positie innemen
    • Met ook saxofonist Willem Breuker brachten Mengelberg en Bennink het Nederlandse bebop-establishment in de jaren zestig met dwarse avant-gardejazz ten val. De in 1967 opgerichte Instant Composers Pool was een exponent van de nieuwe orde die de wereld zou ingaan als de New Dutch Swing, vrije geïmproviseerde muziek met een sterk Nederlandse identiteit. De belangrijkste maatgever: instant composing - Mengelbergs passende synoniem voor improviseren. Muziek zonder afspraken, het publiek verwonderd en vertwijfeld achterlatend.[4] 
    • Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, veranderde alles. In 1942 werd jazzmuziek in de ban gedaan Na de oorlog was 75 procent van de podia van de stad verwoest en kwam het culturele leven maar langzaam op gang. Pas vanaf 1963 begon de jazz weer te leven. De bebop was de nieuwe sensatie.[5]  
  2. dans horend bij bebop muziek
Synoniemen

Gangbaarheid

56 % van de Nederlanders;
50 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen