beaujolais

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

beaujolais
Uitspraak
Woordafbreking
  • beau·jo·lais
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rode wijnsoort’ voor het eerst aangetroffen in 1933 [1]
  • uit het Frans [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord beaujolais
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

beaujolais m

  1. fruitige, jonge wijn uit de landstreek Beaujolais in Frankrijk
    • Er is een uur voorbij en we hebben al twee gangen achter de knopen, dus besluiten we tot een kleine pauze en een extra kaasgang (supplement 10,-). We drinken uitstekende wijnen, bij Strangelove worden er veel per glas geschonken, zoals een smakelijke grauburgunder (5,-), een beaujolais van Chateau Cambon (6,50) - altijd een voltreffer - en pinot noir uit de Bourgogne (6,50). De kaas, vier rauwmelkse van Nederlandse bodem, is uitstekend, precies goed gerijpt, alleen de creamcrackers zijn een beetje lullig.[3] 
    • Ik was de burn-out nabij. Ik kon moeilijk elke avond een feest geven en de deur pas van het slot halen als iedere gast minstens drie flessen had geleegd. Een Aston Martin laten bouwen die op Beaujolais rijdt (zoals prins Charles deed), werd volgens mijn garagehouder lastig. „Waarom breng je het niet naar de voedselbank?” zei mijn beste vriend tenslotte. Dat was dus een mogelijkheid waar ik totaal niet bij had stilgestaan. Meteen reed ik erheen, laadbak en achterbank vol kratten, op de bijrijdersstoel drie kisten onder de gordel, tweeliterfles sangria tussen mijn benen. Bij de voedselbank keken ze hun ogen uit. Als dank gaven ze me een flesje rosé. Van Euroshopper. Dat ontroerde me. Uiteraard nam ik het aan. Wat maakt één zo’n flesje nou uit.[4]  


Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. etymologiebank.nl
  3. NRC Petra Possel 3 maart 2017
  4. NRC Ellen Deckwitz 14 november 2016