bandeloosheid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ban·de·loos·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bandeloosheid bandeloosheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bandeloosheid v

  1. het bandeloos zijn
    De bandeloosheid van de huidige jeugd zal wel niet anders zijn dan de bandeloosheid van de vroegere jeugd.
Synoniemen
  1. ongeremdheid, tomeloosheid, teugelloosheid