bakkenist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

bakkenist hangt buiten de zijspan
Uitspraak
Woordafbreking
  • bak·ke·nist
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van bak met het achtervoegsel -ist
enkelvoud meervoud
naamwoord bakkenist bakkenisten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bakkenist m [1]

  1. (sport) "passagier" (bijrijder) bij motorrace-wedstrijden met zijspan
     Kimberly uit Lattrop is één van de vele kinderen die zondag eens mochten uitproberen hoe het aanvoelt om op een crossbaan in een zijspan mee te racen als bakkenist.[2]
     Voor de lokale matador, bakkenist Dion Rietman uit Holten, eindigde de race om het wereldkampioenschap zeer teleurstellend.[3]

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
33 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron “Zijspan weer hot tijdens 'instapdag' voor bakkenisten in Lattrop” (22-10-2017), Tubantia
  3. Bronlink Weblink bron Ralph Blijlevens “Dubbelslag voor Bax/Stupelis in GP-zijspancross Markelo” (07-07-2019), Tubantia