backpacker
Uiterlijk
- Geluid: backpacker (hulp, bestand)
- back·pac·ker
- Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘rugzakreiziger’ voor het eerst aangetroffen in 1992 [1]
- Leenwoord uit het Engels, afgeleid van backpacken met het achtervoegsel -er
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | backpacker | backpackers |
| verkleinwoord | backpackertje | backpackertjes |
de backpacker m
- iemand die met alleen een rugzak rondreist
- Leef als een backpacker!
- ▸ Duitse backpacker na 2 weken levend gevonden in Australië.[2]
- Het woord backpacker staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "backpacker" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Weblink bron “Duitse backpacker na 2 weken levend gevonden in Australië.” (11-7-2025), NOS