Naar inhoud springen

bûcher

Uit WikiWoordenboek
  • Afgeleid van bûche 'houtblok'.
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  bûcher     le bûcher     bûchers     les bûchers  

bûcher m

  1. stapel houtblokken, brandstapel
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bûcher
bûchais
bûché
eerste groep volledig

bûcher

  1. (in blokken) hakken
  2. (spreektaal) hard werken, studeren, blokken
    «Bon courage à tous ceux qui comme moi vont devoir bûcher pendant les vac'!»
    Succes voor degenen die net als ik moeten blokken in de vakantie! [1]