axiaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • axi·aal
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘de as volgend’ voor het eerst aangetroffen in 1862 [1]
  • afgeleid van het Latijnse axis (as) met het achtervoegsel -aal [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen axiaal axialer axiaalst
verbogen axiale axialere axiaalste
partitief axiaals axialers -

Bijvoeglijk naamwoord

axiaal [3]

  1. de as betreffend of volgend, behorend tot de as
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

62 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.

Verwijzingen