heten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • he·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
heten
/'ɦe.tə(n)/
heette
/'ɦe.tə/
geheten
/ɣə.'ɦe.tə(n)/
gemengd volledig

Werkwoord

heten [2]

  1. (koppelwerkwoord) op een bepaalde wijze genoemd zijn.

Heten is een zelfstandig werkwoord in de betekenis 'de naam hebben'.

  1. Hij heet Jan.
Verwante begrippen
Vertalingen


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
heten
/'ɦe.tə(n)/
heette
/'ɦe.tə/
geheet
zwak -t volledig

Werkwoord

heten [3]

  1. (overgankelijk) heet maken
Hyponiemen
Afgeleide begrippen


Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Woordenboek der Nederlandse taal


Middelnederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid
deelwoord
enkelvoud meervoud
heten hiet hieten geheten
klasse 7 volledig  

Werkwoord

heten

  1. heten
  2. opdragen, bevelen
    «Doe bat hem die coninc ende hiet
    Dat hi blidelike voere.[1]»
    Toen verzocht de koning hem en droeg hem op
    om op te monteren.
Verwijzingen
  1. 490-491 Floris ende Blancefloer