heten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • he·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘de naam dragen’ voor het eerst aangetroffen in 1200.[1]
  • [A]: Uit Middelnederlands hēten, heeten, ontwikkeld uit Oergermaans *haitan-, misschien bij een Indo-Europees wortel *ḱeid-, waartoe ook Ossetisch sidyn ~ sedun ‘roepen’ zou kunnen behoren.[2][3] Evenals o.a. Nederduits heten, Duits heißen en Fries hjitte ‘bevelen’, hite ‘heten’.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
heten
/'ɦe.tə(n)/
heette
/'ɦe.tə/
geheten
/ɣə.'ɦe.tə(n)/
zwak -t

gemengd

volledig

Werkwoord

[A] heten [4]

  1. koppelwerkwoord op een bepaalde wijze genoemd worden.
  2. Heten is een zelfstandig werkwoord in de betekenis 'de naam hebben'.
    • Hij heet Jan. 
     Het was altijd een feest als ik op een kleine waterbron recht uit de berg stuitte. Dit frisse water uit de ondergrondse meren (aquifers geheten) dronk ik direct uit de berg, zonder het te hoeven filteren.[5]
     Ze heette heel toepasselijk Jetfighter en alle standaardvragen passeerden de revue: ‘waar kom je vandaan’, ‘wanneer ben je begonnen?’ en ‘hoeveel liter neem je mee?’.[5]
Verwante begrippen
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
heten
/'ɦe.tə(n)/
heette
/'ɦe.tə/
geheet
zwak -t volledig

Werkwoord

[B] heten [6]

  1. overgankelijk heet maken
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[7]

Verwijzingen


Middelnederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid
deelwoord
enkelvoud meervoud
hēten hiet hieten geheten
klasse 7 volledig  

Werkwoord

hēten

  1. heten
  2. opdragen, bevelen
    «Doe bat hem die coninc ende hiet
    Dat hi blidelike voere.[1]»
    Toen verzocht de koning hem en droeg hem op
    om op te monteren.

Verwijzingen

  1. 490-491 Floris ende Blancefloer