ambo
Uiterlijk

- am·bo
- uit het Grieks [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ambo | ambo's |
| verkleinwoord |
de ambo m
- Het woord ambo staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "ambo" herkend door:
| 22 % | van de Nederlanders; |
| 22 % | van de Vlamingen.[2] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ ambo op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 4
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Bouwkunde in het Nederlands
- Religie in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 22 %
- Prevalentie Vlaanderen 22 %