allegaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·le·gaar
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘onbepaald voornaamwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236 [1]
  • alle gader [2]

Bijwoord

allegaar [3]

  1. alles bij elkaar
    • De 65-jarige schaatslegende had zich verkleed als Aris, een keuterboertje uit Aartswoud. Want die Skenk is niet zo'n groot redenaar. Die skuift liever mij naar voren, anders krijgen we van dat gesnotter en gestotter, zei Aris, die de skaatser als beste kent. Die Skenk was eigenlijk een verskrikkelijk luie hufter. Dat-ie ooit kampioen is geworden: ik begraip d'r helegaar niks van. Hij heb z'n hele leven zo allegaar veel mazzel gehad, dat wou ik nog wel effe zeggen. [4] 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen