afzwieren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·zwie·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afzwieren
afzwierde
afgezwierd
zwak -d volledig

Werkwoord

afzwieren

  1. inergatief heftig met de armen of het lichaam zwieren (schaatsen, dansen)
    • Die schaatsers kwamen heftig afgezwierd. 
  2. inergatief van iets weg bewegen, duwen of gooien
    • Die lastige reizigers werden door de conducteur prompt van de trein gezwierd. 
  3. inergatief een losbandig leven leiden
    • Die studenden hebben aardig wat afgezwierd. 
Hyperoniemen

Gangbaarheid

52 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.