afzwemmen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·zwem·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afzwemmen
zwom af
afgezwommen
klasse 3 volledig

Werkwoord

afzwemmen

  1. een zwemdexamen doen
    • De trotse ouders keken naar hun kind dat voor het zwemdiploma A afzwom. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.