aftelversje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·tel·vers·je
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord
verkleinwoord aftelversje aftelversjes

Zelfstandig naamwoord

aftelversje o [1]

  1. kinderrijmpje dat men gebruikt om te bepalen 'wie hem is' in een spelletje
    • Een opmerking van president ds. I. Fritz blijft Dekker bij: „Wat mij betreft, gaan alle lutherse gemeenten mee in de fusie, of geen van allen.” Dekker bedacht daarop een aangepaste versie van het aftelversje ”witte zwanen, zwarte zwanen”. [2] 
    • Onder de brug van Janke-Panke lag een hond
      Als hij schijt, dan schijt hij stront
      Als hij pist, dan pist hij wijn
      Hoeveel liter zou dat zijn?

      aftelversje uit de jaren '20. [3]
       
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen