afkanting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·kan·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afkanting afkantingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

afkanting v [1]

  1. het afronden of minder scherp maken van de kanten van een werkstuk
  2. de schuin afgewerkte rand van een werkstuk
Synoniemen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen