abdiqueren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ab·di·que·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
abdiqueren
abdiqueerde
geabdiqueerd
zwak -d volledig

Werkwoord

abdiqueren

  1. inergatief vrijwilling afstand doen van bestaande rechten of verantwoordelijkheden
    • De Belgische en de Vlaamse overheid hebben schandelijk geabdiqueerd op het vlak van vakdidactisch onderzoek. 
Synoniemen

Verwijzingen

Gangbaarheid

57 % van de Nederlanders;
56 % van de Vlamingen.