aardappelhoofdje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aard·ap·pel·hoofd·je
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

aardappelhoofdje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord aardappelhoofd
    • Diane en ik hadden een tafeltje met krukjes waar kinderen een aardappelhoofdje konden maken. Van een aardappel werd een stukje afgesneden zodat hij bleef staan, er werden ogen, mond en neus ingeprikt of gesneden en hij kreeg een gat in z’n hoofd waar watjes met graszaad in ging. Als het goed is en de watjes goed vochtig zijn gehouden, hebben de hoofdjes ondertussen een weelderige bos gras-haar. [1]

Gangbaarheid

Verwijzingen