aardappelhoofd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aard·ap·pel·hoofd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aardappelhoofd aardappelhoofden
verkleinwoord aardappelhoofdje aardappelhoofdjes

Zelfstandig naamwoord

aardappelhoofd o

  1. (speelgoed) nagebootst hoofd, gemaakt uit een aardappel door er stukjes uit te snijden of voorwerpen in vast te prikken die onderdelen van het gelaat of zelfs ledematen verbeelden
    • Vertel de kinderen dat ze vandaag iets heel grappigs gaan maken van een aardappel: een aardappelhoofd! [1]
    • Ze biechtalleswel op,' zei ze tegen het aardappelhoofd, dat met alle gelaatstrekken op de verkeerde plek meer opeen Picassohoofd leek. [2]
  2. (pejoratief) hoofd dat door grove, onregelmatige vormen aan een aardappel doet denken
    • De Duitse houten klazen van vroeger zijn uit beeld geraakt. Ik herinner me het aardappelhoofd van de vroegere spits Horst Hrubesch. Bijnaam: Das Ungeheuer. Hij leek zijn huid te scheren met afgedankte mesjes, zijn kapper had nog nooit van modelknippen gehoord. [3]
    • Van bode Tiny beschrijft Kellendonk zijn "ronde buikje, dikke achterwerk, zijn aardappelhoofd" en hij noemt hem "zielig en lelijk". Linmans: "Die man kon je uittekenen." [4]
  3. (informeel) kinderhoofd dat nog niet veel groter dan een (grote) aardappel is (in deze betekenis wordt meestal het verkleinwoord gebruikt)
    • Op haar arm heeft ze een kindje. Klein nog. Heel klein. Om het aardappelhoofdje zit een roze bandje. Zodat het maar duidelijk mag zijn. Dit is een meisje. [5]
    • Wat een lieffie dat oude Magnoliaatje, ze heeft daar nog echt zo'n aardappelhoofdje [6]

Gangbaarheid

Verwijzingen