Naar inhoud springen

обитая

Uit WikiWoordenboek

Russisch

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

  • обита́я
    • IPA: /ɐbʲɪˈtajə/
  • оби́тая
    • IPA: /ɐˈbʲitajə/
Woordafbreking
  • о·би-та·я

Deelwoord

обита́я

  1. bijwoordelijk tegenwoordig deelwoord van обитать (onvoltooid aspect):
    wonend
    «Кто, как Господь, Бог наш, Который, обитая на высоте, приклоняется, чтобы призирать на небо и на землю; »
    Wie is als onze Heer, onze God, die, wonend in de hoge. zich neerbuigt om hemel en aarde te aanschouwen.
Verwante begrippen

Bijvoeglijk naamwoord

оби́тая

  1. nominatief vrouwelijk enkelvoud van обитый
    «Прикроватная скамья обитая мехом.»
    Een nachtkastje bekleed met bont.