zalig
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- za·lig
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | zalig | zaliger | zaligst |
| verbogen | zalige | zaligere | zaligste |
Bijvoeglijk naamwoord
zalig
- (religie) gerechtvaardigd tegenover God, doordat men van zonde bevrijd is
- Christenen verlangen ernaar zalig te worden door het geloof in de Christus.
- bijzonder aangenaam, hemels
- We hebben een zalige vakantie gehad.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zaligen |
zalig
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zaligen
- Ik zalig.
- gebiedende wijs van zaligen
- Zalig!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zaligen
- Zalig je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.