zalig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • za·lig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zalig zaliger zaligst
verbogen zalige zaligere zaligste

Bijvoeglijk naamwoord

zalig

  1. (religie) gerechtvaardigd tegenover God, doordat men van zonde bevrijd is
    Christenen verlangen ernaar zalig te worden door het geloof in de Christus.
  2. bijzonder aangenaam, hemels
    We hebben een zalige vakantie gehad.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zaligen

zalig

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zaligen
    Ik zalig.
  2. gebiedende wijs van zaligen
    Zalig!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zaligen
    Zalig je?

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl