zagen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • za·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zagen
zaagde
gezaagd
zwak -d volledig

Werkwoord

zagen

  1. (overgankelijk) in stukken delen door middel van een zaag
    Ik moet nog wat hout zagen.
  2. (inergatief) op vervelende wijze spreken, zeuren
    Klagen en zagen, het is voor hem dagelijkse kost.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zien

zagen

  1. meervoud verleden tijd van zien
    Wij zagen.
    Jullie zagen.
    Zij zagen.
    Wij zagen hem nog vertrekken.

Zelfstandig naamwoord

zagen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zaag