zaaier

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zaai·er
enkelvoud meervoud
naamwoord zaaier zaaiers
verkleinwoord zaaiertje zaaiertjes

Zelfstandig naamwoord

zaaier m

  1. de persoon die het land inzaaid
    De zaaier zaaide het hele land in.