zaaien

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zaai·en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zaaien
zaaide
gezaaid
volledig

Werkwoord

zaaien

  1. zaad strooien.
    De tuinman ging de tuin zaaien.
  2. veroorzaken of teweegbrengen.
    Hij wilde enkel onrust zaaien.
Persoonlijke instellingen
Andere talen