wiegen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- wie·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| wiegen |
wiegde |
gewiegd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
wiegen
- (overgankelijk) zachtjes heen en weer bewegen, gewoonlijk om een zuigeling in slaap te brengen
- Het kindje werd zachtjes gewiegd onder het zingen van een slaapliedje.
Vertalingen
1. zachtjes heen en weer bewegen, gewoonlijk om een zuigeling in slaap te brengen
Zelfstandig naamwoord
wiegen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord wieg
Duits
Uitspraak
Werkwoord
wiegen