rock
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA: /ɹɒk/
Woordafbreking
- rock
Woordherkomst en -opbouw
- Van Engels rock (steen). Afkorting van rock and roll.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | rock | - |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
rock m
- (muziek) een muziekstijl gekarakteriseerd door een 4/4-maat en gebruik van (vaak elektrische) gitaren
- Ik luister liever naar rock dan naar house.
- een dansstijl horende bij deze muziekstijl
Engels
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| rock | rocks |
Woordafbreking
- rock
Woordherkomst en -opbouw
- (zelfstandig naamwoord) Van Middelengels rocke/rokke, van Oudengels *rocc, van Oudnormandisch roc/roque (verwant aan het moderne Franse roche). Oorspronkelijk waarschijnlijk Keltisch, vanwege de overeenkomst met het Ierse roc en het Bretonse roch.
- (werkwoord) Van Middelengels rokken, van Oudengels roccian. Verwant met het Oudnoorse rykkja (trekken, scheuren, bewegen), Middelnederlands rucken (modern Nederlands rukken), Oudhoogduits rucchan (modern Duits rücken).
Zelfstandig naamwoord
rock
- rots
- steen
- gesteente
- ijsklontje
- suikerklontje
- rock (muziek- en/of dansstijl)
- Afrikaner
- dom persoon
- stukje crack (cocaïne)
Afgeleide begrippen
Werkwoord
rock
- heen en weer bewegen
- During the storm, the boat rocked violently on the waves.
- (Tijdens de storm bewoog de boot hevig heen en weer op de golven.).
- opschudden, een emotioneel evenwicht doorbreken
- British politics was rocked by another scandal.
- (De Britse politiek werd opnieuw opgeschud door een schandaal.).
- uitmunten
- This band rocks!
- (Deze band is heel goed!).