rock

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rock
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rock -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rock m

  1. (muziek) een muziekstijl gekarakteriseerd door een 4/4-maat en gebruik van (vaak elektrische) gitaren
    Ik luister liever naar rock dan naar house.
  2. een dansstijl horende bij deze muziekstijl
Synoniemen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
rock rocks
Woordafbreking
  • rock
Woordherkomst en -opbouw
  1. (zelfstandig naamwoord) Van Middelengels rocke/rokke, van Oudengels *rocc, van Oudnormandisch roc/roque (verwant aan het moderne Franse roche). Oorspronkelijk waarschijnlijk Keltisch, vanwege de overeenkomst met het Ierse roc en het Bretonse roch.
  2. (werkwoord) Van Middelengels rokken, van Oudengels roccian. Verwant met het Oudnoorse rykkja (trekken, scheuren, bewegen), Middelnederlands rucken (modern Nederlands rukken), Oudhoogduits rucchan (modern Duits rücken).

Zelfstandig naamwoord

rock

  1. rots
  2. steen
  3. gesteente
  4. ijsklontje
  5. suikerklontje
  6. rock (muziek- en/of dansstijl, afkorting van rock and roll)
  7. Afrikaner
  8. dom persoon
  9. stukje crack (cocaïne)
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening

Werkwoord

rock

  1. heen en weer bewegen
    During the storm, the boat rocked violently on the waves.
    (Tijdens de storm bewoog de boot hevig heen en weer op de golven.).
  2. opschudden, een emotioneel evenwicht doorbreken
    British politics was rocked by another scandal.
    (De Britse politiek werd opnieuw opgeschud door een schandaal.).
  3. uitmunten
    This band rocks!
    (Deze band is heel goed!).