verzekeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| verzekeraar | verzekerbaar |
| verzekerde | verzekerd |
| verzekering | - |
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·ze·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| verzekeren |
verzekerde |
verzekerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
verzekeren
- (overgankelijk) verklaren dat iets toekomstigs met zekerheid te verwachten is
- Hij verzekerde dat er geen ontslagen zouden vallen.
- (overgankelijk) tegen betaling van een premie een contract afsluiten waarbij bepaald wordt dat bij eventuele schade gedekt zal worden
- Zij hadden gelukkig hun reis verzekerd zodat zij bij dat ongeluk hulp konden inroepen.