vervullen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·vul·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| vervullen |
vervulde |
vervuld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
vervullen
- (ditransitief) het (doen) uitkomen van een voorspelling of belofte
- Hij vervulde daarmee wat hij eerder toegezegd had.
- geheel vullen of doortrekken
- De heerlijke geur vervulde het gehele gebouw.