vullen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vul·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vullen
vulde
gevuld
zwak -d volledig

Werkwoord

vullen

  1. (overgankelijk) vol maken
    Kun jij die prullenbak even vullen met dat papier daar?
  2. opvullen.
    Jij kan je tijd hier wel vullen.
Vertalingen