vervroegen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·vroe·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van vroeg met het voorvoegsel ver-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vervroegen
vervroegde
vervroegd
zwak -d volledig

Werkwoord

vervroegen

  1. (overgankelijk) iets eerder laten plaatsvinden
    Hij wil de geplande verkiezingen met een jaar vervroegen.
Antoniemen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen