vervroegen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·vroe·gen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| vervroegen |
vervroegde |
vervroegd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
vervroegen
- (overgankelijk) iets eerder laten plaatsvinden
- Hij wil de geplande verkiezingen met een jaar vervroegen.