verplanten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·plan·ten
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| verplanten |
verplantte |
verplant |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
verplanten
- (overgankelijk) (een plant of struik) op een andere plaats zetten
- Mijn zus wilde graag die begonia verplanten naar de tuin bij het nieuwe huis.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. op een andere plaats zetten