verloven
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·lo·ven
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| verloven |
verloofde |
verloofd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
verloven
- (wederkerend) zich ~: iemand een (informele) belofte om te trouwen geven
- De kroonprins verloofde zich met een burgermeisje.
- Hij doet haar een huwelijksaanzoek en ze verloven zich.
Vertalingen
Zelfstandig naamwoord
verloven mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord verlof