ventileren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ven·ti·le·ren
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van het Franse ventiler (met het achtervoegsel -eren) [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| ventileren |
ventileerde |
geventileerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
ventileren
- (overgankelijk) verse lucht in een ruimte brengen, uitluchten, luchten
- De ramen stonden open om de kamer te ventileren.
- uiten, uitdrukken, spuien
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
1. verse lucht in een ruimte brengen