venter

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ven·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van venten met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord venter venters
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

venter m

  1. (handel) persoon die geld probeert te verdienen door te venten
    Tegenwoordig zie je niet zo veel venters meer in het straatbeeld.
Afgeleide begrippen


Deens

Woordafbreking
  • ven·ter
Naar frequentie 343

Werkwoord

venter

  1. tegenwoordige tijd van vente


Noors

Woordafbreking
  • ven·ter
Naar frequentie 306

Werkwoord

venter

  1. tegenwoordige tijd van vente


Nynorsk

Woordafbreking
  • ven·ter

Zelfstandig naamwoord

venter, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van vente