halen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ha·len
Woordherkomst en -opbouw
|
|
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| halen |
haalde |
gehaald |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
halen
- (overgankelijk) ergens heengaan met als doel om iets of iemand mee terug te brengen
- Hij is even vrienden van het station aan het halen.
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening
Vertalingen
1. ergens heengaan met als doel om iets of iemand mee terug te brengen
Zelfstandig naamwoord
halen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord haal
Welsh
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| halen | - |
Zelfstandig naamwoord
halen m