halen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·len
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: halen
Oudnederlands: halon
Germaans: *halōnan
  • Verwant in Germaans:
Engels: hale, Duits: holen, (Oudhoogduits, Oudsaksisch: halon), Fries: helje (Oudfries: halia)
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
halen
haalde
gehaald
zwak -d volledig

Werkwoord

halen

  1. (overgankelijk) ergens heengaan met als doel om iets of iemand mee terug te brengen
    Hij is even vrienden van het station aan het halen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

halen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord haal


Welsh

enkelvoud meervoud
halen -

Zelfstandig naamwoord

halen m

  1. (scheikunde) zout


Deens

Woordafbreking
  • ha·len

Zelfstandig naamwoord

halen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van hale


Noors

Woordafbreking
  • ha·len
Naar frequentie 4392

Zelfstandig naamwoord

halen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van hale


Nynorsk

Woordafbreking
  • ha·len

Zelfstandig naamwoord

halen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van hale


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
halar

halen

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van halar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van halar