timmeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tim·me·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
timmeren
timmerde
getimmerd
zwak -d volledig

Werkwoord

timmeren

  1. (inergatief) houten zaken in elkaar zetten
    Hij kan erg goed timmeren; hij heeft gisteren die hele tafel gemaakt.
  2. (inergatief) herhaaldelijk (met een hamer) op iets slaan
    Stop alsjeblieft met dat timmeren op je tafel.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Aan de weg timmeren.
Vertalingen