timmeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- tim·me·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| timmeren |
timmerde |
getimmerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
timmeren
- houten zaken in elkaar zetten
- Hij kan erg goed timmeren; hij heeft gisteren die hele tafel gemaakt.
- herhaaldelijk (met een hamer) op iets slaan
- Stop alsjeblieft met dat timmeren op je tafel.
Afgeleide begrippen
- timmergereedschap, timmerhout, timmerman, timmermansoog, timmermanspotlood, timmermanszoon, timmerwerf, timmerwerk, timmerwerkplaats
Uitdrukkingen en gezegden
- Aan de weg timmeren.