surplace

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sur·pla·ce

Werkwoord

vervoeging van
surplacen

surplace

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van surplacen
    Ik surplace.
  2. gebiedende wijs van surplacen
    Surplace!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van surplacen
    Surplace je?
  4. aanvoegende wijs van surplacen