stalen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van staal met het achtervoegsel -en
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen stalen

Bijvoeglijk naamwoord

stalen

  1. van staal vervaardigd
    Er moest een stalen plaat op gelast worden.

Zelfstandig naamwoord

stalen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord staal
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stalen
staalde
gestaald
zwak -d volledig

Werkwoord

stalen

  1. (overgankelijk) hard, sterk maken
    De sport staalt het lichaam, scherpt den geest en leidt tot soberheid en matigheid.[1]

Werkwoord

vervoeging van
stelen

stalen

  1. meervoud verleden tijd van stelen
    Wij stalen.
    Jullie stalen.
    Zij stalen.
Verwijzingen
  1. SDAP'er Jan Schaper tijdens een Tweede Kamervergadering op 5 mei 1925